Dit artikel is ingezonden door Gildas

Nu Brexit weer een mogelijke ontknoping nadert op 31 oktober vullen de media zich weer met verhalen over Brexit. Er zit veel drama bij en opmerkelijk weinig nieuws; tijd dus voor een kleine handleiding om kaf en koren over Brexit van elkaar te scheiden.

De voorgeschiedenis

Nadat het Verenigd Koninkrijk in 1973 tot de voorlopers van de EU was toegetreden bleef dit lidmaatschap steeds onderwerp van hevige interne discussies. Met name bij de conservateve partij, de Tories, waren er veel stemmen die het lidmaatschap eigenlijk wilden opzeggen. In een poging die interne strijd te beëindigen, en in de verwachting dat “Remain” makkelijk zou winnen, besloot premier David Cameron een referendum te houden of het Verenigd Koninkrijk inderdaad het lidmaatschap van de EU moest opzeggen.

Het referendum werd gehouden op 23 juni 2016 en tot consternatie van het  establishment in zowel het Verenigd Koninkrijk als de EU won “Leave” met 52% van de stemmen. Cameron trad prompt af en werd als premier opgevolgd door Theresa May. Die hield vervroegde verkiezingen om de onderhandelingen in te kunnen gaan met een sterke meerderheid voor haar regering. May verloor echter de verkiezingen in belangrijke mate en kon weliswaar premier blijven maar alleen op basis van een marginale meerderheid in coalitie met de Noord-Ierse partij Democratic Unionist Party die fel tegen is op alles wat Noord-Ierland kan losweken van het Verenigd Koninkrijk.

Een stukje verdragsrecht

De EU is (nu) gebaseerd op een verdrag tussen de lidstaten, het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU). Dit verdrag regelt het bestaan van de unie,  haar bevoegdheden en organisatie. Het is wel nog steeds een verdrag tussen de deelnemende staten, en dus ook beheerst door het Weens verdragenverdrag en internationaal gewoonterecht. Bij het onderhandelen over en sluiten van verdragen wordt een staat steeds vertegenwoordigd door haar (internationaal erkende) regering. Niemand anders kan geldig namens de staat communiceren met andere staten.

Het VEU regelt de uittreding van een deelnemende staat in artikel 50. Dit artikel maakt duidelijk dat uiterlijk 2 jaar nadat een deelnemende staat heeft medegedeeld de deelname aan het verdrag op te zeggen de deelname ook eindigt en het verdrag voor die staat niet meer van toepassing is. Verdragsrechtelijk is het uittreden dus geheel automatisch, er is geen nadere handeling meer nodig. Het uittreden alsnog tegengaan of een nader verdrag sluiten zijn handelingen die verricht moeten worden conform de grondwettelijke en verdragsrechtelijke eisen om effect te sorteren.

“Onderhandelingen”

Aanvankelijk wilde May met de EU onderhandelen over de status van het Verenigd Koninkrijk na uittreding voordat het Verenigd Koninkrijk op basis van artikel 50 van het EU verdrag formeel het lidmaatschap zou opzeggen. De EU weigerde dit pertinent en wilde pas gesprekken openen nadat de opzeggingsverklaring ex artikel 50 EUV was ontvangen. May stuurde vervolgens de verklaring waarmee op de voet van artikel 50 EUV het Britse lidmaatschap zou eindigen uiterlijk op 29 maart 2019. Verdragsrechtelijk was er op dat moment geen enkele twijfel meer mogelijk dat het Verenigd Koninkrijk op 29 maart 2019 uit de EU zou treden, behoudens nadere verdragen tussen het Verenigd Koninkrijk en de EU lidstaten om dat te veranderen. De uittreding van het Verenigd Koninkrijk gebeurt bovendien zonder dat er daarna enig verdrag tussen het Verenigd Koninkrijk en de EU lidstaten bestaat, behoudens een nieuw verdrag dat die status wel regelt.

Aan het begin van de onderhandelingen over Brexit presenteerde EU hoofdonderhandelaar Michel Barnier de “ladder van Barnier”[1] waarop arrangementen die de EU heeft met andere landen zijn weergegeven en ook is weergegeven welke wensen van het Verenigd Koninkrijk passen bij welk arrangement. Barnier gaf tevens aan dat de EU in geen geval zou instemmen met een regeling die voor het Verenigd Koninkrijk belangrijke voordelen zou bevatten ten opzichte van de arrangementen die de EU met andere landen heeft.  Belangrijk probleem in dit alles was ook nog de status van Noord-Ierland, aangezien bij de  “goede vrijdag akkoorden” het Verenigd Koninkrijk heeft toegezegd dat er een open grens zal zijn met de Ierse Republiek. Een open grens is echter alleen mogelijk bij een verdrag dat heel hoog op de ladder van Barnier zit, en dus bijna geen enkele eis van het Verenigd Koninkrijk bij Brexit inwilligt.

Op basis van de over en weer onwrikbare posities viel er niet bijster veel te onderhandelen, al deden de betrokkenen dapper alsof dat wel zo was. In het Britse parlement en de pers werd intussen het ene na het andere kleurrijke maar kansloze proefballonnetje opgelaten over een wenselijke uitkomst. May legde uiteindelijk een voorlopig verdrag voor op basis waarvan het Verenigd Koninkrijk grotendeels binnen de EU blijft in afwachting van een definitief verdrag. Dit leek de enige manier om op de datum van uittreding, 29 maart 2019, in ieder geval formeel uit te treden. De zogeheten “Withdrawal Agreement” (WA).

De parlementaire honden vreten het hondenvoer niet

May maakte, wat haar tekortkomingen ook mogen zijn, een belangrijk punt: Het parlement dient te kiezen tussen 1. haar Withdrawal Agreement; 2. no deal Brexit of 3. no Brexit. Andere opties zijn er gewoon niet omdat de EU niets anders gaat aanvaarden en daar geen misverstand over laat bestaan. Het Britse parlement kan ook niet eenzijdig de voorwaarden bepalen aangezien een verdrag door alle andere lidstaten van de EU goedgekeurd moet worden om effect te hebben.

Het Britse parlement weigerde vervolgens de WA goed te keuren. Meerdere malen bracht May het verdrag in stemming, een zeer ongebruikelijke gang van zaken, en iedere keer werd het verworpen. Het Britse parlement hield vervolgens tal van stemmingen, waarbij het verklaarde in ieder geval geen Brexit zonder verdrag te willen, en tevens liet weten toch heel graag een verdrag met extra pony’s, regenbogen en eenhoorns te willen. Dat die allemaal niet voorradig zijn deerde niemand in het parlement of de pers.

Uiteindelijk verzocht May de EU lidstaten om uitstel van de Brexit datum om zo te voorkomen dat de no deal Brexit zou plaatsvinden. De EU lidstaten keurden gevraagd uitstel goed tot 31 oktober 2019, waarmee verdragsrechtelijk de oorspronkelijke datum van uittreding middels een verdrag werd verplaatst naar 31 oktober 2019. Zowel May als een meerderheid in het parlement wilden immers per se geen no deal Brexit zodat tijd nodig was om tot een meerderheid voor een van de twee andere opties te komen.

Dat May uitstel van Brexit aanvroeg was extreem onpopulair binnen haar partij. Het gevolg was dan ook dat May op een uiterst ongebruikelijke wijze werd gedwongen tot aftreden door vertegenwoordigers van de partijafdelingen. Boris Johnson volgde haar na een interne verkiezing op als leider van de Tories en premier….

 

Gildas

 

Lees verder in deel 2 van het artikel.

 

[1]     https://ec.europa.eu/commission/sites/beta-political/files/slide_presented_by_barnier_at_euco_15-12-2017.pdf

Delen via


Lees ook