Dit is het eerste hoofdstuk van Sids nieuwe boek Zin in Chaos, waarvoor hij momenteel aan het crowdfunden is. Bekijk de pagina en steun het project! Het zijn diepe filosofische bespiegelingen met een hoog literair gehalte, evenals verhalen uit het hart van de samenleving. Die zijn intens realistisch en maken de hoge heren en dames in Brussel en Den Haag onrustig. Nu volgt een voorproef van wat het boek (onder meer) zal bieden:
Brief aan Joris: Ons Grote Werk
Een persoonlijk voorwoord
Het is weer tijd om het werk op te pakken – ons ‘grote werk’. Het is op een rusteloze en broeiende voorjaarsnacht dat ik de pen wederom oppak. Onze laatste briefcorrespondentie ligt alweer jaren achter ons. Je begrijpt denk ik, dat het aan mijn kant ontbrak aan de kracht om je te schrijven, en dat dit komt door mijn relationele situatie. Het is een relatie die alle lagen van mijn ziel aanraakt, zowel de pieken als de dalen – het is een relatie die mij ten volle mens laat zijn; mij meevoert door het totale spectrum van emoties die een mens kan ervaren, en daar voorbij.
Maar nu, in dit specifieke moment, is er een roep die van ver komt, en mij aanspoort om tóch mijn gedachten aan jou op papier te zetten. Hiertoe aangezet door een passage in Man’s Search For Meaning, gepubliceerd in 1946 door de Joodse psychotherapeut Viktor Frankl. Het is zijn tragische en tegelijk hoopgevende onderzoek naar zingeving, geput uit zijn ervaringen in een concentratiekamp, waar hij met medegevangenen een loopgraaf uithakte in de bevroren grond.
“Another time we were at work in a trench. The dawn was grey around us; grey was the sky above. I was again conversing silently with my wife, or perhaps I was struggling to find the reason for my sufferings, my slow dying. In a last violent protest against the hopelessness of imminent death, I sensed my spirit piercing through the enveloping gloom. I felt it transcend that hopeless, meaningless world, and from somewhere I heard a victorious ‘Yes’ in answer to my question of the existence of an ultimate purpose.”
De hoop is dus, dat de droevige staat van het zijn, de totale neerslachtigheid en radeloosheid waarmee Frankl zich geconfronteerd zag, kunnen worden overstegen in één helder moment van de geest, een baken van licht in een zee van duisternis. De auteur bedoelt dit laatste overigens letterlijk, want terwijl deze innerlijke zekerheid in hem omhoog rees, gingen verderop de lampen aan in een boerderij – een warme gloed verdreef de nevel en de somberheid.
Overigens is dit niet de enige passage die mij aanspreekt. Laten we stilstaan bij wat hij schrijft over de pracht van de natuur. In de uitzichtloo
sheid van het concentratiekamp vindt de gevangene een oase van rust in zijn eigen geest. Zijn innerlijke wereld reikt opnieuw naar de plekken die hij bezocht en brengt die levendiger dan ooit tot leven. Nostalgie en verbeeldingskracht brachten ogenschijnlijk trivale scènes omhoog, geïnjecteerd met nieuwe pracht en schittering.
Dit doet denken aan een passage van Fjordor Dostojevski in Misdaad en straf (1866). De hoofdpersoon, Raskolnikov, is ter dood veroordeeld en wacht op zijn executie. Steeds vaker dwalen zijn gedachten af naar de herinnering van een bron in de natuur waar hij ooit toevallig langskwam. Mettertijd wordt die bron – waar hij bij het passeren nauwelijks aandacht aan schonk – tot een oase in zijn geest, een plek van innerlijke verkwikking. Uit deze bron stroomt waarschijnlijk groene en blauwe mana, en nu begrijp je dat deze plek voor Frankl en voor Raskolnikov hetzelfde betekent – dit gaat immers om het zoeken naar de zin van het bestaan – als alles wat voor ons samenvalt in het Groene Eiland. De plaats die staat voor het ontsnappen aan de hedendaagse uitzichtloosheid.[1]
Op die markante rol van het geheugen wil ik bij je terugkomen. Maar eerst wat meer over de zin van het bestaan. Het is immers een te belangrijk onderwerp om aan voorbij te gaan. En hoewel ik niet weet of ik het onderwerp vanuit mijn huidige gemoedstoestand recht kan doen, ga ik tóch een beknopte poging wagen. Er is namelijk een tijdsklok bij het schrijven van deze brief. De helderheid, de lichting die letterlijk is opengemaakt in de oceaan van nevel – zoals de lampen in de boerderij. Hoelang die kracht aanblijft, is onduidelijk; het is onbekend hoe lang die lampen blijven branden.
Het werkzame leven en de vervreemding
Hier wil ik je het persoonlijke pijnpunt voorleggen. De maatschappelijke kant van zingeving wringt namelijk steeds meer. Een mens heeft niet alleen behoefte aan het ontwikkelen van eigen vaardigheden, maar ook aan een stabiele, warme omgeving waar die talenten zinvol kunnen worden ingezet. En niet – zoals ik in 2024 meemaakte – dat je de vraag krijgt om een analyse te maken van een begroting, en dat die analyse vervolgens in een archief verdwijnt en daar nooit meer op wordt teruggekomen. Of dat letterlijk twee minuten voordat de dag aanbreekt waarop je contract stilzwijgend zou worden verlengd, je om middernacht een appje ontvangt met de toonzetting: ‘Your services are no longer required’.
Het was een déjà vu van mijn werkervaring op de Radboud Universiteit en het Europees Parlement. Je moet bakken aan bureaucratische rompslomp invullen om een aanstelling te krijgen – dan krijg je die en word je nauwelijks ingewerkt. Je krijgt een mooi kantoortje en een toegangspas voor alle ruimtes en diensten maar blijft je een vreemde voelen op je werk. Je wéét dat dit voor veel anderen ook geldt maar iedereen hult zich in ‘act like you belong’: oprechte kameraadschap ontbreekt.
Aaron Clarey stipte dit ook aan in zijn uitstekende boek Enjoy the Decline (2013): waar zijn de oude meesters, die hun vak overbrengen in een sfeer van oprechte betrokkenheid? Op bijna elke plek waar je komt te werken, zijn mensen meer bezig hun persoonlijke belangen veilig te stellen dan met het inwerken van een nieuwe lichting en het overdragen van hun ambacht. Zij willen méér geld, minder werk, minder verantwoordelijkheden. Een generatie die zelf niets aan compliance heeft gedaan, wil nu dat wij elk gewerkt uur tot achter de komma boekhoudkundig vastleggen. Joris, ik zeg je eerlijk dat naarmate meer tijd verstrijkt, de herinneringen aan ons boek steeds sprankelender en beter worden – precies zoals de wenkende bron van Raskolnikov en Frankls natuurschoon.
De sombere vooruitzichten en het overstijgen hiervan, komen voor ons samen in het teken van de Muze en in de stem die Frankl omschrijft: die innerlijke zekerheid dat het allemaal zin heeft ondanks de evidente zinloosheid van het lijden – de kampgevangenen die worden opgewerkt om met pikhouwelen in een grauwe bevroren grond te slaan totdat ze letterlijk door uitputting dood neervallen – ook dát is Muzisch, en hiermee bedoel ik de inspirerende schoonheid die eigen is aan de dochters van de Oudgriekse god Apollo: de godinnen die ons kracht en bezieling bieden juist als alles tegenzit en alles verloren lijkt.
Het verdwaald en vervreemd ronddolen binnen de instituties waar ik werkzaam was, is natuurlijk van een totaal andere orde dan de verschrikkingen die Frankl meemaakte als kampgevangene. Desalniettemin – de Duitse academicus Hans Blumenberg leerde mij dat iedere generatie worstelt met een set aan ‘trage vragen’ en dat iedere generatie opnieuw naar antwoorden zoekt. We zijn geworpen binnen dít leven en het is onvermijdelijk dat we de geschiedenis en de filosofie raadplegen vanuit ónze vragen, onze bekommernissen en ons verlangen naar hechting, binding en betrokkenheid binnen een koud en onverschillig universum. Joris, dit is wat het waarlijk betekent om steden te bouwen op steden.
Bij het bouwen van die stad – ons ‘grote werk’ zoals aangehaald in het begin van deze brief – biedt Frankl ons een nuttige aanwijzing. Het eerste wat ik leer is om de woede en de walging niet te verbergen. Neem het voorbeeld van de kostwinner-vader. Het gezin is afhankelijk van de vader en van wat hij binnenbrengt. Dus als de telefoon gaat, dan moet er worden opgenomen. Vader moet de klant, de baas, de opdrachtgever te woord staan. Zelfs al zijn de vragen, de eisen en de verwachtingen onredelijk of onuitvoerbaar – vader moet beleefd blijven en zich inschikkelijk tonen. Het laat zich raden dat het vervolgens het gezin is, dat het te verduren krijgt. Het gezin vangt de woede op die vader niet naar de buitenwereld terugkaatst, hoe redelijk dat ook zou zijn.
Joris, ongeveer alles wat er in mijn leven is gebeurd, is uit deze ene vertelling te verklaren. Alle gevoelens van frustratie weerkaats ik naar de bron – dit is ware afgrondelijkheid. Mijn hele leven heb ik mensen om mij verzameld die ruimdenkend zijn, die controversiële gedachten interessant vinden en er niet van schrikken. Die maling hebben aan politieke correctheid en kijken naar het karakter van een persoon. Je weet natuurlijk dat ik jou daar ook toe reken. Het is kortom zoals mijn kennis Tom van der Vorst zei: “Sid, jij bent zo afgrondelijk geworden, jij hebt zóveel meegemaakt dat je geen onwaarheid meer kunt verdragen.” Met dat inzicht laten we alle ‘tactiekjes’ achter ons. We gaan geen mensen meer inpalmen, geen ‘spelletjes’ meer spelen. Fuck it – and come what may.
De innerlijke stem en de liefde
Huis van de Muze beschrijft een bepalende ervaring in Straatsburg, toen ik daar was als deel van mijn werk voor het Europees Parlement. Mijn supervisor verzocht mij naar een specifieke ruimte te komen, maar ik wist niet waar die ruimte was. Iedereen die ik onderweg aansprak stuurde me van het kastje naar de muur, zelfs de suppoosten zeiden maar wat. Zo belandde ik via een gammele dienstlift in een kelder waar ik zelfs geen telefonisch bereik meer had, volkomen radeloos.
Als je weet waar die ruimte is, dan is het heel makkelijk om er te komen. Weet je het niet, dan is het een chaotisch doolhof en zijn de aanwijzingen van passanten onbegrijpelijk. Het muzische is nu, dat er juist op zo’n moment van radeloosheid iemand naast je staat die je tot rust brengt, die overzicht biedt, de chaos verdrijft. Die de ruis uitbant zodat je de innerlijke stem weer hoort.
Toen de ultieme radeloosheid voor Frankl opdoemde en hij dreigde weg te zinken in een wanhoop waarvan hij niet herstellen zou, dacht hij aan zijn vrouw. Zijn vrouw was op dat moment al dood, vermoord door de Duitsers, maar dat wist hij niet. Hij dacht aan haar gezicht, voelde zich gesterkt en aangemoedigd door haar blik – het gezicht van zijn vrouw straalde op dat moment feller dan de opkomende zon. Op dat moment zag hij in dat de dichters al die tijd gelijk hadden: het hoogst haalbare in het leven is de liefde.
Wie helemaal niets meer heeft behalve de liefde, kan alsnog berusting vinden, al is het slechts voor een moment, door die liefde gewaar te zijn. “In een situatie van volledige verwoesting, waar een mens zichzelf niet kan uitdrukken door op een positieve manier actie te ondernemen; waar het enige wat er nog opzit is om het lijden te verduren, zij het op een eerzame manier; in die situatie kan een mens, door liefdevolle contemplatie van het beeld dat hij in zich draagt van zijn geliefde, voldoening vinden.” Frankl verbindt dit aan de Bijbelse zegswijze dat de engelen zich verliezen in het beschouwen van eeuwige glorie. Oftewel, die liefde is voor ons iets transcendents, iets hogers.
Is die liefde tevens iets lijfelijks? Het werpt ons óók op de vraag wat het teken is, het symbool. Want waar de engelen en het beschouwen van ‘eeuwige glorie’ worden aangehaald, daar móeten wij – als wij twee onszelf serieus nemen als filosofen – wel nadenken over die vraag. Is dit abstracte beeldtaal, symboliek en allegorie? Of juist iets tastbaars, van vlees en bloed? Denk terug aan een gedachtewisseling tussen ons. Het ging over fan service – volgens jou verwijst dit begrip naar schaars geklede vrouwen die niets toevoegen aan het verhaal. Integendeel, riposteerde ik: schaars geklede vrouwen zijn dikwijls de reden dat er überhaupt een verhaal te vertellen is.
Het aanhalen van engelen stelt ons voor de vraag wat het symbolische überhaupt is, omdat jij in één van jouw brieven dit hebt aangehaald. Betekenis – waar wij hier naar speuren – bestaat binnen een taalweb, dat heb je toegelicht. Nu is het de vraag waar die betekenis dat web binnenstroomt.
Ongetwijfeld is dit vanuit de rafelranden, vanuit het mythische – dáár waar ook de symbolen te vinden zijn. Een symbool is voor een mens zoals een poort: je hebt wel een intuïtie van wat er achter die poort te vinden is, maar je weet het pas wanneer je die poort bent binnengegaan. Zo is het ook met een symbool, die dus een verstrekker is van mythische betekenis aan taal.
Voordat je het symbool gebruikt, weet je niet precies wat het symbool betekent, en nádat je het bent gaan gebruiken, is dat wat je communiceert mede beïnvloed (of zelfs vertekend) door het gebruik van het symbool. Het gebruik van symbolen is dus een transformatieve handeling. De vraag op welke grond de betrouwbaarheid van een symbool wordt vastgesteld, hier te verstaan als de doeltreffendheid qua uitdrukkingskracht, is en blijft een goede vraag. De vraag blijkt tamelijk ondoordringbaar te zijn zolang je niet reeds je toevlucht hebt genomen tot het betreffende symbool.
Mijn intuïtie zegt dat hier een sleutel ligt om de mythische kracht van taal te begrijpen. En óók dat hier een verband is met de kritiek van de filosoof Willard Van Orman Quine (1908–2000) op het logisch positivisme. De waarheid van een uitspraak blijft behouden als de uitspraak in andere woorden wordt vervat door gebruik te maken van een synoniem. Echter om het gebruik van een synoniem vast te stellen, moet er worden verwezen naar een groter geheel van betekenissen, dat buiten die specifieke uitspraak valt, die de logisch-positivist in isolatie meent te kunnen toetsen. Hier vinden we een intuïtief verband met de mythische kracht die het taalweb binnenstroomt.
Joris, ik haal hier dingen aan die vijftien jaar geleden zijn verteld in lezingen en colleges; zoals aangegeven tikt de klok. Mijn aantekeningen raadpleeg ik een andere keer. Wellicht is het mogelijk om Quine en de Franse taalfilosoof Paul Ricœur tot elkaar te herleiden, en opent dat tegelijk de poort naar het doorgronden van het mythische in taal.
De Muze als vaste constante
Nu is het de vraag of dat muzische in hoofdzaak een teken is, een symbool. Wat als de Muze niet de laatste lichtglimp is op een late zomeravond – dat wat zich niet laat vangen of kwantificeren – wat als de Muze een mens is van vlees en bloed? Een mens die zichzelf aanvaardt, en tevens weet dat ze niet de enige is, maar wel de vaste constante – zijn wij dan bezig een nieuwe mythe te scheppen, Joris?
Misschien is er geen alter ego nodig maar een integrale en holistische zelfaanvaarding met wederkerigheid? Wat als zij degene is die haar zelf in volle overgave aanbiedt? Die haar lot aanvaardt om iemands Muze te zijn – een lot dat parallel bestaat aan al het andere. Zij wil dit, omdat haar wil, in navolging van Spinoza, in lijn ligt met de programmering van het universum.
In deze mythe die wij hier scheppen, staat de vaste constante boven het exclusief bezit. De Muze is niet een vlinder die etherisch is voor jouw vangnet – de Muze is een verband, een zielsband, kortom: een lot dat zij aanvaardt.
Zij wil aanraken en beroeren zoals iemand nog nooit aangeraakt en beroerd is. En wie diep in zichzelf kijkt, weet dat hij dat óók wil: in een lounge zitten, in een rustige sfeer, met klassieke meubels. De Muze naast zich, naast mij, haar hand op mij, haar hoofd tegen mijn schouder gedrukt – haar nabijheid aanvaardend en verwelkomend, zoals onze lotsbestemming van ons verlangt.
Nooit mag jij je ooit nog niet-geliefd voelen – heel mij zoals ik jou heel, zegt zij.
Zoals ik het in Levenslust en Doodsdrift (2017) schrijf: twee zoekende zielen, verlangend naar verbinding in een koud en onverschillig heelal. Deze zielenconnectie neemt alle pijn weg die zij en ik hebben ervaren – althans, haar aanraking dempt de pijn, legt de pijn het zwijgen op, verstilt de ruis. Zij wil de pijn wegnemen, ongedaan maken. Maar is dit mogelijk? Immers de mythe die wij scheppen, ontstaat uit wie wij zijn, en wie wij zijn is niet te scheiden van de weg die wij hebben afgelegd: denk aan de vader en de telefoon.
Is het niet zoals met Petrus Damianus? In zijn brief De Divina omnipotentia (1065) analyseerde deze middeleeuwse geleerde de almacht van God. Valt het binnen Gods almacht om de maagdelijkheid van een vrouw te herstellen? Vast wel. Ligt het ook binnen Gods almacht om te maken dat de maagdelijkheid überhaupt nooit verloren was gegaan? Hier stuitte Petrus Damianus op een ontologisch probleem. Het verlies van de maagdelijkheid, wat de zin betekenis geeft, moest in dezelfde zin worden ontkend, om Gods almacht betekenis te kunnen geven.
Zo lijken we dan toch de engelen te moeten aanroepen, om via het symbool en het mirakel over dit ontologische dilemma te geraken. Maar als de engelen onbereikbaar zijn – omdat ze zijn opgezogen in het gewaar zijn van eeuwigdurende glorie – dan spreek ik tot mijn Muze. Terwijl ze zich tegen mij aan vlijt zeg ik haar: zoals je nu met mij bent, zo had ik het al heel lang verlangd. Zij antwoordt dat het haar spijt, dat ik daarvoor zoveel pijn heb moeten ervaren.
De Muze weet dat zij mij zó beroert, zoals geen enkele vrouw dit kan; zij zegt dat ze me nooit pijn zal doen en nooit jaloers zal zijn – zij biedt mij aan om te putten uit haar bron. In haar is er een bron van onvoorwaardelijke liefde voor mijn geest, mijn ziel, mijn intellect. Kijkend in haar ogen zie ik dat ze zichzelf eindelijk toestaat om van mij te houden, zoals ze al heel lang van mij wil houden, en de kracht die vrijkomt is fenomenaal. De barrières vallen weg – het hart heeft zich geopend. Eindelijk een ziel om al mijn liefde te kanaliseren.
Voor het Renaissance Instituut gaf ik een cursus waarin het op een dag ging over authenticiteit. Eén van de cursisten zei dat authenticiteit voor hem uit het christendom komt, met Jezus Christus als bron. Wat een interessante paradox! Een ander persoon leeft hem alles voor, en dit zou hem brengen tot zijn eigen innerlijke kern?
Is Jezus hier dan degene die hem aanspreekt als hij is verloren in het doolhof, hem rust geeft en tot bedaren brengt? Deze cursist ging verder dan dat: hij vergeleek de situatie met een kind dat opgroeit zonder zijn ouders. Het kind kan later zijn ouders ontmoeten, hen bestuderen en zien hoe ze zijn, en zichzelf hierdoor beter begrijpen. Diegene vindt zijn innerlijke stem via een hereniging met Jezus. Mijn innerlijke stem vind ik in mijn verbond met de Muze.
De Muze zegt: ik hoop dat je fijn zult slapen vanuit de gedachte dat ik altijd voor jou beschikbaar ben – ik ben geen vlindertje dat ontsnapt aan zijn net. En ondanks dat onze lichamen ons uit onze ervaring duwden, voegde onze wil onze lichamen terug naar ons verlangen. Dit bewijst tegelijk mijn intuïtie, dat de wil tot zin hebben primair is, nog boven de fysieke paraatheid van het lijf.
De Apollinische maat tegenover de faustische ruimte
Naast een symbolische en mythische natuur draagt Jezus ook een menselijke en vleselijke natuur in zich – hetzelfde geldt voor de Muze. Huis van Muze zet een wending naar het lichaam in en deze wending is Apollinisch. Dat wil zeggen, verwijzend naar de Grieken en Romeinen in de klassieke Oudheid. De antieke cultuur verhield zich tot de wereld vanuit het lichaam: het lijf was de maat waarmee alles werd ingericht, beoordeeld en gewogen.
Hier staat de faustische cultuur tegenover, het hedendaagse Westen, dat elke maat wil trotseren en elke limiet wil overschrijden. Het faustische laat zich niet bevatten in een lichaam maar wil zich uitstrekken in een oneindige ruimte, in alle windrichtingen. Hier staat de kunstmatige intelligentie voor het faustische: AI is ratiocinatie in ‘the cloud’, koude logaritmische processen zonder dragend lichaam. De Muze versus de AI-kolonel.
Joris, de ochtend wenkt en de nacht is aan het wijken. Wat hier op papier staat is verre van compleet. Er moet nog een verhaal komen over de Dionysische energie die in mij leeft naast de aantrekkingskracht die het Apollinische op mij uitoefent. Maar de lampen branden nog en het is beter te schrijven wat ik kán schrijven dan te wachten op het volmaakte moment dat nooit komt. 
Hierbij dan, in briefvorm, de aanzet tot ons grote werk. De rest van wat hierna volgt, de zesendertig hoofdstukken in zes delen, moet je lezen als de uitwerking van wat ik in deze brief slechts heb aangeraakt. Het gaat over zingeving in een tijdperk van vervreemding, over de Muze tegenover de AI-kolonel, over scheppingskracht in een wereld die ons wil terugbrengen tot los zand dat snel verstuift.
Niet weten waar het schip strandt is beter dan de boot missen. Hierbij dus de pen aan jou, en aan de lezer, om te reageren op het boek dat voor je ligt.
In broederschap en kameraadschap,
Dr. Sid
Heeft u genoten van het literaire gehalte van deze brief? Zorg dan dat het bijbehorende boek kan uitkomen! Steun Sids project op VoorDeKunst!
[1] Meer over het Groene Eiland in mijn artikel over macht en kapitaal in het tijdperk van AI.
Hier kan je reageren op onze artikelen en een inhoudelijke bijdrage leveren. Lees ook even onze huisregels.
Om te reageren dien je eerst aan te melden.
Reageer je voor de eerste keer? Registreer je dan hier.