Afgelopen juni heerste er gedurende een aantal dagen een “grimmige sfeer” op het Mercatorplein in Amsterdam. Op 24 juni gingen aanhangers van Erdoğan de straat op omdat Erdoğan opnieuw tot president van Turkije was verkozen. De dag erna stond het Mercatorplein vol met fans van het Marokkaanse voetbalelftal; dit vanwege een WK-wedstrijd. Tijdens het “feestje” voor Erdoğan werd er vuurwerk afgestoken en het verkeer gehinderd. Supporters van het Marokkaanse elftal bekogelden agenten met eieren en gooiden een dynamo tegen een GVB-bus. In beide gevallen zou men zeggen dat er sprake was van ernstige overlast en verstoring van de openbare orde.

Hier kijkt men in Amsterdam toch anders tegenaan. Uit de beantwoording door het college van raadsvragen van Marianne Poot (VVD) blijkt dat er tijdens de “vieringen” op het Mercatorplein geen boetes zijn uitgedeeld. Bij het “feest” voor Erdoğan werd niet opgetreden, omdat het werd gezien als een uiting van het demonstratierecht. Het Marokkaanse voetbalfeest werd niet verstoord “omdat dit een actie vereiste van een grootte die had kunnen leiden tot verstoring van de openbare orde”.

Vooral dit laatste is verontrustend. Wat hier eigenlijk gezegd wordt, is dat een “viering” waarbij agenten worden bekogeld, vandalisme wordt gepleegd en de doorgang van het verkeer wordt gehinderd op zich zelf geen verstoring van de openbare orde is – zover dit gebeurt op het Mercatorplein naar aanleiding van een (verloren) WK-wedstrijd van het Marokkaanse elftal. Dit lijkt misschien een vreemde conclusie, maar als er gekeken wordt naar de (juridische) uitleg van wat men dient te verstaan onder ‘het verstoren van de openbare orde’, is dit toch echt het geval.

In de Nederlandse wetgeving heeft het begrip ‘openbare orde’ niet steeds dezelfde betekenis. Het is een zogenaamd containerbegrip; dit houdt in dat het begrip in verschillende contexten verschillende betekenissen kent en dus in feite een leeg begrip is (zie hiervoor het boek van L.D. Ruigrok: Onmiddellijke handhaving van de openbare orde of bestuursdwang). In de context van de Marokkaanse “viering” op het Mercatorplein dient het begrip ‘openbare orde’ te worden uitgelegd in het kader van de handhavingsbevoegdheden die de burgemeester heeft op grond van de gemeentewet: openbare orde dient dan verstaan te worden als “het ordelijk verloop van het gemeenschapsleven” (zie hiervoor o.a. het boek van A. van den Berg, J van der Grinten en J. Schilder: Hoofdstukken Openbare-Orderecht). Wat als ‘ordelijk’ gezien moet worden, hangt onder andere af van de ter plaatse heersende sociale, culturele, ethische en religieuze opvattingen (zie hiervoor het boek van H.Ph.J.A.M. Hennekens: Openbare-orderecht). Anders gezegd: de openbare orde wordt bepaald door de ter plaatse heersende tolerantiegrenzen. Van een verstoring van de openbare orde kan gesproken worden als een (menselijke) gedraging het effect heeft dat de ter plaatse heersende tolerantiegrenzen worden overschreden met als gevolg dat de normale gang van het gemeenschapsleven ter plaatse abnormaal wordt.

Kortom: als er gesteld wordt dat op het Mercatorplein de openbare orde wordt verstoord door een actie (van de politie) – tijdens een “viering” die zich laat tekenen door het bekogelen van agenten met eieren en het plegen van vandalisme – dan kan men zich afvragen wat de ter plaatse heersende tolerantiegrenzen zijn en wie deze bepaalt. Als een actie in een dergelijke situatie pas kan leiden tot verstoring van de openbare orde, dan betekent dit niets anders dan dat wat als “normaal” moet worden gezien – op het Mercatorplein – wordt bepaald door de groep met de grootste bek. In zo’n situatie mogen Mocro’s in roedels inderdaad alles en kan men zich oprecht afvragen van wie het Mercatorplein daadwerkelijk is.

Delen via