Dit is weer een stukje van het epische boek waar ik aan werk: Zin in Chaos. Het boek moet écht uitkomen, en dit kan met uw hulp en steun! Bekijk de crowdfunding pagina. Het plan is ook om een mooi evenement te plannen rond de lancering van het boek, waar we elkaar kunnen ontmoeten. In dit werk leg ik me toe op de grote existentiële zingevingsvraagstukken. Hierom deel dit ook alvast even:

Het zou zó mooi zijn als u de crowdfundingpagina bekijkt, het project steunt, en nu verder leest over Descartes (dit moet óók in het boek komen):

René Descartes is een individualist. Hij schrijft: “Het merendeel der meningen is waardeloos als bewijs voor waarheden die moeilijk te ontdekken zijn. Het is immers waarschijnlijker dat één persoon zoiets ontdekt, dan een hele menigte tegelijk.”[1] Hij uit zijn zorgen dat hij als kind, op grond van vertrouwen en traditie, mogelijk zaken heeft aangenomen die nu onwaar blijken. Hij wil vanaf een schone lei opnieuw beginnen en de totaliteit van zijn denken herstructureren. Dit is de achtergrond van zijn beroemde statement: Cogito ergo sum.[2] Ik denk dus ik besta – omdat ik moet bestaan om te kunnen twijfelen.

Via een kronkelige reeks argumenten herleidt Descartes uit zijn cogito dat God moet bestaan. Hij heeft noties van zaken die superieur zijn aan zijn individuele cognitie, en iets dat grootser is dan hijzelf moet de oorzaak zijn van die noties. Dit zet hem ertoe aan om zich het grootst mogelijke wezen denkbaar voor te stellen, en dit perfecte wezen moet noodzakelijkerwijze bestaan, omdat iets dat bestaat, per definitie superieur is aan iets dat niet bestaat.

Voorts zou de goedheid van dit hoogste perfecte wezen garanderen dat de inzichten die Descartes verkrijgt via zijn redeneringen, niet misleidend zijn. Hij gebruikt de term “natuurlijk licht” voor de kwaliteit van intuïtieve zekerheid die eigen zijn aan geldige noties. Dit licht stelt hij tegenover het niets, het afwezige – de leegte. De laagste, meest misleidende en corrumperende kracht in het universum.

In zijn Meditaties (1641) bemerkt Descartes dat zolang zijn geest zich op God centreert, hij geen mogelijke grond ziet voor vergissingen of valsheden. Zodra hij echter zichzelf het onderwerp maakt van deze bespiegelingen, merkt hij dat hij kwetsbaar is voor vele misverstanden. In deze reflecties beweegt zijn geest over een spectrum dat twee polen bestrijkt. Op de ene rand is God, een compleet perfect wezen; op het tegengestelde uiterste treft hij het niets – de toestand die in extreme mate verwijderd is van heelheid en perfectie.

Descartes merkt op dat hij zelf bestaat ergens op dit spectrum. Het is de specifieke aard van zijn bestaan – resonerend met de goddelijke perfectie maar ook de invloed in zich dragend van het niets – die hem feilbaar maakt en vatbaar voor vergissingen. Hij stelt dan:

In zoverre ik zelf niet het hoogste wezen ben en veel gebreken ken – tot die hoogte is het niet vreemd dat ik fouten maak.[3]

Dit zijnde dat Descartes aantreft – deze schepping die het niets in zich bevat en daardoor dus besmeurd is en verlaagd wordt – draagt het kernmerk van een halfbakken en haperende poging. Een onvolmaakte schepping verwijst naar een onvolmaakte wil! Hoe kan Descartes een onvolmaakt product, een product dat vatbaar is voor fouten en vergissingen, verzoenen met de perfectie van een goddelijke Schepper?

Descartes poneert dat een fout maken niet slechts wijst op een passieve afwezigheid van kennis binnen het subject; hij definieert de geneigdheid om fouten te maken als een actieve tekortkoming binnen het geschapen subject.[4] Hij stelt dan dat wanneer zijn geest God gewaar is, hij denkt dat het onmogelijk is dat God een eigenschap binnen Descartes heeft gelegd die in-en-op-zichzelf niet perfect is. Met andere woorden is het onmogelijk voor een perfecte Schepper om in hem een aspect in te bouwen dat “een perfectie ontbeert die het wel zou dienen te hebben.”[5]

De goedaardige God zal ons dus niet misleiden of bedriegen, want daarmee zou Hij een onvolmaakte wil hebben, en dat is ondenkbaar omdat God volmaakt is. Maar tegenover God staat de leegte van het niets – het oneindig onvolmaakte – en in wisselwerking met dat niets schept God blijkbaar op de één of andere manier wezens die onvolmaakt en gebrekkig zijn. Hoe kan de volmaakte Schepper dan zó besmet zijn door het niets dat het in Zijn werk doorsijpelt?

[1] René Descartes, Vertoog over de Methode, AT II, 16.

[2] Idem, AT IV, 32.

[3] Idem, AT IV, 54.

[4] Idem, AT IV, 55.

[5] Ibidem.

Hier deel 1 in de serie over Descartes.

Steun de Nieuwe Zuil via BackMe, en blijf bijdragen zoals deze mogelijk maken! De Nieuwe Zuil is een platform voor iedereen die realisme wil verspreiden!

Delen via


Lees ook

Discussieer mee!

Hier kan je reageren op onze artikelen en een inhoudelijke bijdrage leveren. Lees ook even onze huisregels.

Om te reageren dien je eerst aan te melden.

Reageer je voor de eerste keer? Registreer je dan hier.

Geef een reactie

Login hier in met je gebruikersnaam en het wachtwoord dat je per e-mail ontvangen hebt.

Maak hier een gebruikersnaam aan. Na verzenden ontvang je een e-mail met je wachtwoord waarna je meteen kunt inloggen en reageren.

Nieuwe gebruiker registratie
*Verplicht veld
Nieuwe gebruiker registratie
*Verplicht veld