Robotica dwingt ons na te denken over wat de voorwaarden zijn voor het toekennen van rechten.

Het Amerikaanse roboticabedrijf Boston Dynamics heeft aangekondigd vanaf 2019 te willen beginnen met de massaproductie van hun kleinste robothond: Spotmini. Boston Dyamics kwam eerder in het nieuws vanwege een video die de vraag opwierp of het schoppen van een robothond onethisch is. In eerste instantie lijkt het een absurde vraag; wat is er op tegen om niet-levende objecten een trap te verkopen? Zolang er geen sprake is van het trappen van andermans robothond lijkt er weinig aan de hand. Dat een dergelijke vraag toch gesteld wordt, heeft te maken met het zogenaamde Eliza-Effect of antropomorfisme: de neiging om menselijke eigenschappen – zoals menselijke intentie en emoties – toe te schrijven aan niet menselijke entiteiten. Het als ‘onethisch’ kwalificeren van het trappen van een robothond komt dan voort uit de ongegronde opvatting dat een robothond – zoals een mens – pijn zou kunnen ervaren.

Dat de verleiding groot is om te vallen voor het eerder genoemde Eliza-Effekt, toont een in 2017 gepubliceerde resolutie door het Europees Parlement waarin wordt aanbevolen om ‘slimme’ robots rechten en verantwoordelijkheden te geven. Het geven van rechten en verantwoordelijkheden aan ‘slimme’ robots kan problematisch zijn en voor verwarring zorgen; zeker nu ‘slimme’ robots en andere levenloze ‘intelligente’ entiteiten in steeds hogere mate onderdeel worden van het maatschappelijk verkeer. Denk aan robots die zelfstandig chirurgische precisie-ingrepen verrichten en de (waarschijnlijke) introductie van de zelfrijdende auto.

Met het toekennen van rechten en verantwoordelijkheden aan ‘slimme’ robots, zoals het Europees Parlement oppert, wordt de deur geopend voor de vermenselijking van ‘intelligente’ maar levenloze entiteiten. Dit kan resulteren in de verwerkelijking van science-fictionachtige scenario’s; zo werd bijvoorbeeld AI-robot Sophia een staatsburger van Saudi-Arabië. In Europa zullen we ons (hopelijk) niet druk hoeven te maken over kunstmatige staatsburgers, eerder zullen we aandacht moeten besteden aan reële problemen die komen. Wie is er bijvoorbeeld verantwoordelijk als een ‘slimme’ robot schadelijke werking vertoont? Bij de beantwoording van deze vraag is het belangrijk om ons bewust te zijn van onze neiging tot antropomorfisering. Deze neiging zou ons kunnen doen geloven dat een bepaalde schadelijke actie van een ‘slimme’ robot gezien moet worden als een wilsuiting. Zodra aan een niet-biologisch object een ‘wil’ wordt toegekend, gaat de vraag spelen of een bepaalde (schadelijke) werking verweten kan worden aan het niet-biologische object. Hoe geavanceerd sommige ‘intelligente’ robots of ‘slimme’ entiteiten ook mogen lijken, op dit moment beschikken dergelijke robots of entiteiten  – anders dan de mens – niet over menselijke intentie; dit verhindert vooralsnog de mogelijkheid om een ‘intelligente’ robot iets te verwijten.

Met het ‘menselijker’ worden van ‘slimme’ robots zullen er nieuwe uitdagingen en vragen komen; hierover zullen we met elkaar van gedachten moeten wisselen. De Nieuwe Kerk is hier natuurlijk een uitgelezen plek voor!

–Melchior

Delen via