In New York begon zeven jaar geleden de Occupy Wall Street-beweging. Demonstranten streken neer voor het beursgebouw van Wall Street om te protesteren tegen economische ongelijkheid. 1 procent van de wereldbevolking bezit meer dan de helft van alle welvaart! Maar waarom is de muziekwereld eigenlijk vrij gebleven van zo’n opstand? Want in de muziek is het nog erger. 1 procent van de artiesten verdient maar liefst 77 procent van alle inkomsten. Hoog tijd voor een revolutie!

Om te snappen hoe muzikanten in de wereld staan, moeten we kijken naar onze geschiedenis. Zo’n tienduizend jaar geleden maakte de mensheid de overstap naar de agrarische cultuur, maar wij muzikanten leven eigenlijk nog in de jager-verzamelaarscultuur: je tourt over de wereld, je hebt geen vast adres, je hebt alleen je muzikale pijl en boog, je jaagt schnabbels na en je deelt groupies met je bandleden.

Roem en delen
Sommige artiesten kunnen dan ook niet goed omgaan met hun verworven succes in onze huidige samenleving. Zo gaf Jimmy Rosenberg zijn gage van duizend gulden een keer zomaar weg aan een dakloze. Dat is niet zozeer een gebrek aan impulscontrole: het delen met anderen komt voort uit de achtergrond van onze jager-verzamelaarscultuur. Daarin deelden we alles met elkaar en mochten we ook wat terug verwachten van elkaar. ‘No Thanks, no Please’, zo vatte een aboriginal van de Kaurna-groep in Australië het samen. Deze twee woorden ontbraken simpelweg in de taal van hun stam. Je hoefde niet te smeken of te bedanken – van elkaar werd verwacht dat je alles samen deelde. Er bestond geen woord voor ‘mijn’, alleen een woord voor ‘ons’.

Het bijzondere is dat deze archaïsche filosofie nog steeds prettig aanvoelt. Het voedt ons ‘serotonerge’ verlangen naar groepsharmonie. Ondertussen hebben succesvolle artiesten de grootste mogelijke moeite om hun moderne, dopaminerge levensstijl in stand te houden. Hun door succes uitgeputte ‘nucleus accumbens’ (beloningscentrum in de hersenen) doet hen de ochtend na een concert al weer smachten naar drugs. Het is een tragisch geval van een mismatch tussen muzikant en omgeving. Ooit creëerde muziek harmonie in een jagersgroep, maar nu is het een levensbedreigende risicofactor geworden voor de meest talentvolle muzikanten onder ons. Eerst raak je er verslaafd aan, vervolgens komen de meesten er niet van rond en de gelukkige één procent eindigt geïsoleerd en aan de drugs. Roem maakt eenzaam. Er is eigenlijk nog maar één plek waar je de muziekwereld ziet zoals die bedoeld was.

De hemel bestaat – in Frankrijk uiteraard
Vorige maand ontdekte ik de muziekhemel op aarde: Samois sur Seine. Ten zuidoosten van Parijs werd Django Reinhardt begraven en nu trekken er jaarlijks honderden gypsy-muzikanten naar het gelijknamige festival. De campings zijn inmiddels al een grotere trekpleister dan de line-up van het festival. Non-stop wordt hier muziek met elkaar gemaakt op het hoogste niveau. Ook wereldberoemde gypsy-muzikanten komen er jammen. Er wordt voedsel en drank gedeeld, het is het egalitaire paradijs zoals we dat ons nog kunnen herinneren uit een diep verleden.

Het is ook de utopie waar Karl Marx op teruggreep: geen bourgeoisie en proletariaat, maar een gelijkwaardige samenleving waarin alles wordt gedeeld. Zijn idee bleek echter niet te werken en had miljoenen doden tot gevolg onder regimes overal ter wereld. Maar misschien hoeven we onze tribale achtergrond niet zomaar opzij te zetten als we muziek hierin als uitgangspunt kiezen. Misschien bestaat het ware paradijs wel uit gereguleerd kapitalisme met kleine stukjes ‘Samois’.

Het sleutelwoord is harmonie; binnen de muziek en daarbuiten
Laten wij weer stukken grond opeisen waar muzikale harmonie heerst. Plekken waar ook de muziek-elite – de ‘1 procent’ – kan langskomen om gewoon met ons te jammen. Zodat ook zij een thuis hebben en niet meer aan de drugs hoeven. Wij moeten thuisfronten creëren, communities waar muziek de voertaal is. Wij zijn tot zoveel meer in staat. Het is onze nieuwe taak als muzikanten: de start van een muzikale Occupy-beweging!