Dit is een artikel van Jan Houblon.

Met het tijdsverloop ben ik gaan inzien dat we samen met het toppunt van het neoliberalisme begin 21e eeuw (dat zijn voortdurende groei te danken had aan de ‘welvarende’ post-WOII economische ‘bloeiperiode’), ook het toppunt van een relatief afgelijnd, Westers socio-economisch samenlevingsverband hebben bereikt.

Wat betreft West-Europa culmineerde dit in het zogenaamde ‘Rijnlandmodel’ dat via een weloverwogen alliantie tussen privaat- en staatsinitiatief, zorgde voor een relatieve socio-culturele coherentie en welvaart.

Medio jaren tachtig van de vorige eeuw kwam, met als speerpunt de ‘Reagan-Thatcher’ revolutie, het zogenaamde Angelsaksische model aan zet. Haast onmiddellijk trad een afbraak in van het oorspronkelijke Rijnlandmodel en het toverwoord van die tijd ‘deregulering’ werd het nieuwe credo van grote en kleine liberale potentaten waaronder ik zeker niet de manisch- voluntaristische Guy Verhofstadt onvermeld kan laten.

Dit soort voorvechters van ‘De Vrijheid’ (straks zullen wij terugkomen op dit veelgebruikte en meerlagige begrip), kregen steeds meer aantrekkingskracht ook binnen andere ideologische strekkingen zoals de Sociaal- en Christendemocratie.

In die mate zelfs dat deze ‘oude vormen en gedachten’ zich onder de paraplu van het liberalisme hebben geschaard , om daar een soort halfslachtige politiek van links-liberale inspiratie te bedrijven, die wat kleine correcties toelaat op een al té roofzuchtige kapitalisme (dat uiteraard één van de hoofdpilaren is van het liberalisme ).

Deze ‘deregulering’, men zou ze ook wel ‘ontsporing’ kunnen noemen, had ook een desastreus effect op de verschillende Westerse deelculturen en dat was niet toevallig zo. Men kan deze tactiek van liberalisering vooral herkennen in een ‘gewilde’ Amerikanisering, een ‘vermarkting’ als het ware van alle mogelijke cultuurgoederen die in Europa een explosie kenden tijdens de zogenaamde mei ’68 ‘revolutie’.

Men zou deze revolutie op ironische wijze ook het verlengsel kunnen noemen van het post-WOII Amerikaanse ‘Marshallplan’, dat met deze doctrine de Europeanen ‘leerde’ consumeren volgens het alom gekende, mondiale consumptie- kapitalistische patroon.

Maar laat ons trachten een definitie te geven van het hedendaagse liberalisme als ideologie. Ik hanteer daartoe de frasering van de rechtse denker Alain De Benoist*1 waaruit ook onmiddellijk duidelijk wordt waarin de bijna totalitaire uitgangshouding van het liberalisme zich onderscheidt:

“Ik denk, net als John Milbank dat liberalisme in de eerste plaats een ‘antropologische vergissing’ is. Rechtuit gesteld is dat dit ontwerp van het begrip van ‘De Mens’ gewoon foutief is. Toch is het steeds opnieuw deze antropologie die we terugvinden achter elke vorm van het liberalisme: het idee dat de mens die van nature niet sociaal of politiek is, dat hij onophoudelijk op zoek is om zijn private belangen te maximaliseren en het economische domein datgene is waarop hij in staat is het best zijn individuele vrijheid te bereiken. De liberale mens is de Homo Economicus, een zelfvoorzienend wezen, de eigenaar van zichzelf en van nature onverschillig staand tegenover elke notie van gemeenschappelijk goed. Dat is wat me leidt tot het vaststellen van de twee fundamentele componenten van de liberale antropologie: individualisme en ‘economisme’. De Benoist vervolgt met volgende vaststelling: “Liberalisme is een filosofisch, economisch en politiek doctrinair systeem dat als dusdanig moet worden beoordeeld en bestudeerd. In dit opzicht is de oude links-rechts kloof van weinig nut, omdat ‘moreel’-links dat het ‘socialisme’ opzij heeft gezet, nu opteert voor een ‘markt’ gemeenschap, terwijl een zeker ‘conservatief’ rechts nooit tot het inzicht komt dat het liberale kapitalisme alles systematisch vernietigt wat het conservatisme wenst te bewaren.

Laat ons daar nu de essentie van het conservatisme tegenover te plaatsen. Ik gebruik hiervoor een definitie van de Frans-Canadese filosoof-socioloog Mathieu Bock-Côté*2:“Het conservatisme is een filosofie van de verworteling, die ons eraan herinnert dat elke mens een erfgenaam is, en dat hij of zij zich moeten inschrijven in een bepaalde geschiedenis om naar het universele te kunnen reiken. Het conservatisme moet ons ook aanzetten om de valse beloftes van de moderniteit te wantrouwen en haar ontsporingen, wat echter niet betekent dat het conservatisme in zichzelf mag berusten

Hiermee is natuurlijk het conservatisme niet in zijn totaliteit geschetst. Andere kenmerken zijn een zekere weerstand tegen penetrante vormen van vooruitgangsdenken (het Brave New World concept), een afkeer van materialisme, een voorliefde voor natuurlijk gevormde gemeenschappen en culturen, plichten van het individu tegenover de gemeenschap.

Het zoeken naar een blijvend sociaaleconomisch evenwicht van een controleerbare gemeenschap, dit in absolute tegenstelling tot het liberalisme dat zweert bij een permanente ‘onrust’ en agitatie in de productie en de sociale verhoudingen.

Laat ons even dieper ingaan op het begrip ‘vrijheid’. Beiden, liberalisme en conservatisme, geven er een andere invulling aan. Wat betreft het conservatisme dient opgemerkt dat het in principe geen autoritaire tendensen voorstaat. Integendeel, het pleit in het voordeel van individuele vrijheid maar dit altijd binnen een sociaal verantwoordingskader. Patrick J. Deneen*3 stelt het in zijn boek ‘Why liberalism failed” als volgt: “Het liberalisme verwerpt het oude concept van vrijheid, als de aangeleerde capaciteit om de slaafse cultivering van basale hedonistische verlangens te overstijgen.

Dit laatste soort ‘vrijheid’ is dan ook een voorwaarde tot zelfcontrole en bestuur van zowel de gemeenschap als de ziel, die de individuele cultivatie en praktijk van de deugd laat doorstromen in collectieve daden van autonomie. Een centraal doel van dit soort samenlevingsvormen is dan ook de brede vorming van particulieren en burgers in de kunst en de deugd van zelfbestuur.”

Met andere woorden, het conservatisme staat een maximale ontplooiing van het individu voor, als een belangrijk maatschappelijk instrument om het collectieve geheel te ondersteunen. Men laat bijvoorbeeld ‘de besten’, de getalenteerden in een gemeenschap excelleren in wat zij het beste kunnen en de gemeenschap haalt daar op zijn beurt voordeel uit onder vorm van leiderschap, expertise etc.

Dat is anders met het soort vrijheid dat het liberalisme in zijn hedendaagse vorm bewerkstelligt: dit verzwakt met name de burgerlijke waarden, door alle autoriteit van een gemeenschap in vraag te stellen. In de praxis van het hedendaagse leven komt dit goed tot uiting onder vorm van een toenemende wanorde en anarchie.

Deneen omschrijft dit als ‘maatschappelijke ziekten’, hij preciseert:

Deze ‘ziekten’ omvatten de corrosieve sociale en burgerlijke effecten van eigenbelang, een aandoening die ontstaat door het overstijgen van het principe van de ouderwetse ‘deugden’. Niet alleen is deze ziekte in toenemende mate manifest in sociale interactie en instituties, daarenboven infiltreert het de liberale politiek. Het ondermijnt elke aantrekkingskracht tot gemeenschappelijk goed en het induceert een nul-som mentaliteit die zich uitstrekt tot een nationale polarisering van de burgerij, die toenemend wordt bewogen door private en breed-materiële belangen. Terzelfder tijd verwekt de remedie waarmee particulieren kunnen worden bevrijd van gezaghebbende culturen, een sociale onbalans die op zijn beurt uitbreiding vergt van legaal verhaal, politionele wetgeving en uitgebreider legaal toezicht. Bijvoorbeeld: Omdat sociale normen en gedragspatronen verslechteren en de nadruk op ‘goed’ karakter van de hand worden gewezen als paternalistisch en onderdrukkend, ziet een groeiend aantal scholen zich gedwongen van toezichtcamera’s te ontplooien waarbij anoniem toezicht en post-factum bestraffing in zwang komt.

Met andere woorden, het maatschappelijk soort ‘vrijheid-blijheid’ dat het liberalisme voorstaat is in de eerste plaats cultuur- en gemeenschapsvernietigend.

En wat brengt de kapitalistisch-liberale monocultuur ons nog voor zegeningen? Peter Sloterdijk*4 schetst in zijn essay uit 2006, de tactiek van het hedendaagse liberalisme als volgt : “Wat men neoliberalisme noemt is in feite niets anders dan een herberekening van de kosten van de interne vrede in de landen van de kapitalistisch-sociaaldemocratische ‘gemengde economie’ van het Europese type of van het ‘gereguleerde kapitalisme’ à la de VS.

Deze herberekening leidde tot de onvermijdelijke conclusie dat de westerse ondernemers onder tijdelijke politieke en ideologische druk vanuit het Oosten te veel hadden betaald voor de sociale vrede. Men achtte de tijd rijp voor kostendrukkende maatregelen, die uiteindelijk tot doel hadden het accent van het primaat van de volledige werkgelegenheid te verschuiven naar de voorrang van de dynamiek van het ondernemen.

Dit had een regelrechte ommezwaai van de tijdgeest tot gevolg. Deze nam steeds sneller afstand van de even rebelse als dirigistische comfortethiek (die zich alleen in Frankrijk wist te handhaven), om de voorkeur te geven aan een ondernemingsgerichte risico-ethiek – waarbij men ervan overtuigd was dat men de ontmoediging van de nieuwe ‘klasse’ van overbodigen, afgedankten en afgescheepten wel als externe kostenfactor op de koop toe kon nemen. Sindsdien worden de deelculturen van de amusementsverschaffing en het depressiebeheer in het Europese kristalpaleis steeds verder uit elkaar gedreven.”

De lezer van dit stuk zal nu begrijpen waarom ik een convergentie van liberalisme en conservatisme zeer in twijfel trek. Zelf gaat mijn hoop uit naar een nieuwe wereldpolitiek die, rechts-realistisch als ze zal moeten zijn, ook een krachtig standpunt zal innemen tegen het kapitalistische begeerte-liberalisme. Tot slot laat ik Alain De Benoist*5 besluiten:

“Liberalen of conservatieven? Als men scherper toekijkt, kan men eigenlijk niet anders dan vaststellen dat liberalen en conservatieven perfect onverzoenbaar zijn. Conservatisme houdt een afkeer in voor de vooruitgangsideologie (het verleden is niets waard!), en voor de ideologie van de mensenrechten (de individuele wil is soeverein), de twee begrippen die historisch altijd verbonden waren met het liberalisme. Het conservatisme houdt in dat de mens in eerste instantie beschouwd wordt als een sociaal wezen, als een wezen-in-relatie, en niet, zoals in de liberale antropologie wordt voorgesteld, als een pre-sociaal wezen, dat zichzelf kan opbouwen vanuit het niets.

Het impliceert een waardenschaal waarin het egoïsme niet gezien wordt als de meest normale gedragslijn van het wezen ‘mens’. Het conservatisme houdt een afwijzing in van het economisme en van het materialisme, dat eruit is voortgekomen. Het impliceert het idee dat de maatschappij, of de gemeenschap, het algemeen belang behartigt, terwijl het liberalisme alleen maar het individu centraal in het sociaal veld plaatst, en enkel het individu.

Het conservatisme houdt de verdediging in van de verworteling van de mens en van de natuurlijke gemeenschappen, begrippen die het liberalisme verwerpt. Het houdt de nadruk in op plichten, eerder dan op rechten. Het impliceert dat vrijheid eerder vanuit de instelling wordt beschouwd en bedacht dan vanuit individuele rechten. Het impliceert een principieel wantrouwen tegenover nieuwigheden, terwijl het economisch liberalisme de voortdurende omvorming van de markt eist en vraagt, en de permanente omvorming van de productie- en de sociale verhoudingen.

Hoe kan men betekenis en nut van grenzen vooropstellen als men opteert voor een economisch stelsel waarvan de essentie net te vinden is in de onbegrensdheid van de markt en de accumulatie van kapitaal, dit wil zeggen in een stelsel waarvan de mondiale ontplooiing de vernietiging met zich meebrengt van alles wat men wilde bewaren? Men kan zich moeilijk opstellen tégen een wereldregering en vóór een planetaire markt zijn!

Jan A. Houblon

*1 https://www.geopolitica.ru/en/article/alain-de-benoist-against- liberalism-society-not-market
*2 Tekos tijdschrift 174/2019
*
3 https://yalebooks.yale.edu/book/9780300240023/why-liberalism-failed
*4 https://petersloterdijk.net/oeuvre-nl/woede-en-tijd/
*
5Tekos tijdschrift 174/2019

Delen via