Gisteren plaatste ik Leszek Kołakowski’s korte beschouwing op conservatisme. Vandaag zijn (nog kortere) vertoog over liberalisme; voor de gedesillusioneerde VVD’ers onder ons.

Uit het essay ‘Hoe een conservatief-liberaal socialist te zijn?’

Wij denken liberaal, wanneer wij menen:

1. Dat het oude beginsel, volgens welk het de taak van de staat is om zorg te dragen voor veiligheid, geldigheid houdt. Ook dan geldigheid houdt wanneer het begrip ‘veiligheid’ zich zodanig uitbreidt, dat het niet alleen de juridische bescherming van personen en bezittingen behelst, maar ook verschillende sociale verzekeringen; dat mensen niet moeten hongeren door gebrek aan werk of sterven door gebrek aan geld aan makkelijk te genezen ziekten, dat zij gratis onderwijs voor hun kinderen hebben – dit alles onder het begrip ‘veiligheid’.

Maar op generlei wijze mag veiligheid verward worden met vrijheid. De staat garandeert vrijheid niet door iets te doen of te regelen, maar door niets te doen en bepaalde terreinen van het leven ongereguleerd te laten. In werkelijkheid wordt soms de veiligheid verhoogd louter ten koste van vrijheid. Het is dus ook geenszins de taak van de staat om mensen gelukkig te maken.

Wij denken liberaal, wanneer wij menen:

2. Dat menselijke groeperingen niet alleen bedreigd worden door stagnatie, maar ook door degradatie en uiteindelijk de dood, wanneer ze zo georganiseerd zijn, dat initiatief en vindingrijkheid van het individu geen ontwikkelingsruimte meer hebben. Men kan zich de zelfmoord voorstellen van het mensdom; maar niet een menselijke mierengemeenschap en wel daarom, omdat wij gewoonweg geen mieren zijn.

Wij denken liberaal, wanneer wij menen:

3. Dat in hoogste mate de veronderstelling onwaarschijnlijk is dat in een samenleving waarin alle vormen van concurrentie zijn afgeschaft, nog steeds de voor creativiteit en vooruitgang noodzakelijke motivaties optreden. Vergroting van gelijkheid is geen doel in zichzelf, maar slechts een middel: met andere woorden, het loont in het geheel niet om naar grotere gelijkheid te streven wanneer het resultaat alleen zou moeten zijn dat zij die het beter hebben naar beneden worden gehaald en niet een verbetering van het lot van achtergestelden. Volkomen gelijkheid is derhalve een innerlijk tegenstrijdig ideaal.

 

Dit was deel 2. Deel 1 kunt u hier lezen, deel 3 vindt u hier.

Delen via


Lees ook